de lerarenopleiding basisonderwijs
regionale kranten DPG, 30-1-’23:

Dit artikel getuigt volgens mij vooral van een jammerlijk en verbazingwekkend onvermogen van onderwijs.
Ook in dit artikel wordt weer de indruk gewekt dat dit probleem alleen of vooral bij studenten pabo speelt, maar het speelt bijvoorbeeld ook reeds lang bij studenten van andere hbo-opleidingen en universitaire opleidingen. Het verschil is dat studenten pabo door de aard van hun opleiding eerder en harder worden geconfronteerd met gebreken in hun taalvaardigheid (waarbij vaak alleen ‘spellen’ wordt genoemd).
De oorzaak ligt allereerst in de vooropleidingen. De verbreding van de mogelijkheden voor instroom in het hbo (WHW*, 1993) speelt daarbij zeker een rol. Er waren en zijn naar mijn ervaring wel duidelijke verschillen tussen ’toeleverende’ scholen van hetzelfde type. Op sommige scholen worden kennelijk basale taken over de schutting gegooid. Bij de e-learning voor aankomende en eerstejaarsstudenten zag ik bijvoorbeeld bij een instaptoets werkwoordsspelling af en toe resultaten beneden de ‘gokscore’. En hoewel deze stof gedeeltelijk ook traditioneel tot de leerstof voor het primair onderwijs behoort, is het resultaat na ook nog secundair onderwijs in die gevallen nul en in nogal wat andere gevallen (ver) ondermaats. Voor alle duidelijkheid: ik beschouw dit niet als het belangrijkste of enig maatgevende onderdeel van het taalonderwijs, maar het is toevallig een voor de uitvoering geregistreerde toetsing (en die omvat naast specifieke regeltjes ook een deel van de basiskennis grammatica). Ik vraag mij natuurlijk wel af hoe het dan met andere onderdelen is gesteld.
* WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Voor een andere belangrijke oorzaak van dit debacle, speciaal voor studenten pabo, moeten we ook naar de vorige eeuw: de degradatie en minimalisering van het vak Nederlandse taal en letterkunde in 1985, bij de wissel van de pedagogische academie voor de pabo. Dat ondanks de overgang van een 3-jarige naar een 4-jarige opleiding (weliswaar met integratie van de opleiding voor kleuterleidsters). Docenten ’taal’ waren bevrijd van het veelomvattende deel ‘letterkunde’ en nieuwe docenten ’taal’ konden met een beperktere of andere opleiding toe. De lerarenopleiding was een belangrijke culturele component armer. De beschikbare lestijd voor ’taal’ werd vooral ingevuld met didactiek, terwijl vaak bij een vrij groot deel van de studenten de eigen taalvaardigheid nog niet op orde was.
Het tekort aan gekwalificeerde docenten Nederlands in het voorafgaande onderwijs zal ook al een tijd van invloed zijn (het aloude verschilpunt bevoegd en bekwaam even daargelaten, temeer gezien diverse aangeboden ‘versnelde’ opleidingsroutes). Overigens: in het verleden leverde de pedagogische academie goed opgeleide docenten met ook een derdegraadsbevoegdheid Nederlands en nogal wat afgestudeerden begonnen aan een studie Nederlandse taal- en letterkunde. Zo leverde de pedagogische academie direct en indirect ook nogal wat docenten Nederlands, met een degelijke pedagogisch-didactische basis.
Leerlingen zullen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs door de nadruk op examentraining vaak een nogal eenzijdig beeld gekregen hebben van het vak Nederlands. Dat zal geen aansporing zijn om voor een studie Nederlands te kiezen.
In 2007 werd door voortdurende klachten over de taalvaardigheid van studenten pabo onder druk van de Tweede Kamer gestart met een verplichte landelijke taaltoets voor eerstejaarsstudenten pabo. Ingaande het schooljaar 2016-2017 werd die verplichting opgeheven en werd het verder aan de afzonderlijke pabo’s overgelaten. Qua niveau van kennis en vaardigheid van de instromers was er in elk geval geen reden voor het opheffen van die verplichting. En dan gaat het nog steeds alleen over een ‘starttoets’. Een (landelijke) eindtoets voor ‘eigen taalvaardigheid’ is er niet, al heeft de Onderwijsraad daarop bij herhaling aangedrongen. Ik vrees dat veel pabo-opleidingen na het behalen van die ‘starttoets’ verder ook weinig tijd meer zullen besteden aan de ‘eigen taalvaardigheid’ van studenten.
De taaltoets pabo omvat(te) belangrijke onderdelen van de basisvaardigheden voor taal, min of meer op niveau 3F, zoals (pas later) aangegeven in het Referentiekader doorlopende leerlijnen taal en rekenen (2008).
Voor (aankomende) studenten pabo bied ik een ‘demo-toets’, om hen aan de hand daarvan te informeren over de eisen voor de eigen taalvaardigheid, de wijze van toetsing en – niet in de laatste plaats – hun niveau. Daarvan wordt zeer veel gebruikgemaakt. Daarnaast bied ik een uitgebreid pakket e-learning aan – tegen enkel een bijdrage in de onkosten (waarvan op aanmerkelijk kleinere schaal gebruik wordt gemaakt): via pabo-taal.nl. (Veel studenten kiezen gemakshalve voor een populair oefenboek voor deze ‘starttoets’.)
Recente reactie van een student zij-instroom op het pakket e-learning:
“Doordat alles helder wordt uitgelegd, snap ik de regels sneller en blijft het beter hangen. Ik krijg er zelfs plezier in om met taal bezig te zijn — iets wat ik van tevoren niet had verwacht.”
Het pakket e-learning voor de pabo richt zich op niveau 4S *.
Voor een afgestudeerde pabo zou – in de vigerende niveau-aanduiding – minimaal niveau 4S moeten gelden. Ondanks aandringen van het Nederlands-Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs zijn er geen verdere niveaus aangegeven voor hbo en universiteit.
* Het traject omvat niet luister- en spreekvaardigheid.
F staat hierbij voor ‘fundamenteel niveau’, naast S voor (het hogere) ‘streefniveau’.
9-10-’25: Een ervaring bij de e-learning voor studenten pabo:
Een vraag van een 4e-jaarsstudent van de pabo-opleiding van één van de grootste Nederlandse hogescholen: of er voor het pakket e-learning ook een gebruikstermijn van één maand mogelijk was, in plaats van de aangeboden zeven of twaalf maanden. Zij moest over één maand nog ‘de taaltoets’ doen (gebruikelijk voor aankomende en eerstejaarsstudenten, niveau 3F). Het bleek daarbij niet om een financieel probleem te gaan, maar zij vond het een beetje jammer van de overige maanden … Uitleg mocht in dit geval niet baten … Ik bied principieel niet alleen oefening voor een ‘starttoets’. En ik plaats in dit geval grote vraagtekens bij het ‘beleid’ ter zake van de opleiding. Immers: deze student moet lessen taaldidactiek hebben gehad, terwijl zij de leerstof in kwestie kennelijk zelf onvoldoende beheerste. Wat biedt een getuigschrift pabo dan nog voor garanties?
Voor de lerarenopleiding basisonderwijs zijn er fraaie doelstellingen. Kwaliteitscontrole vindt vrijwel alleen plaats door een zesjaarlijkse visitatie. (De voorganger pedagogische academie kende mondelinge en schriftelijke landelijke eindexamens, mede beoordeeld door vakdeskundige gecommitteerden.) Er zijn in het huidige systeem wel perverse prikkels voor door- en uitstroom.